Twaalf hoofdstukken, een kaart, een stamboom — en een rij notities die het verhaal van de Ririhena in de wereldgeschiedenis plaatsen.
Onlangs vroeg ik jullie om de bijeenkomst van de perkumpulan bij te wonen. Misschien had ik moeten zeggen: kom even mee, want ik wil je iets geven.
Wat ik jou wil geven is dit... waar wij nu staan, te midden van alles wat je in deze bijeenkomst ziet. Namelijk Perkumpulan Erihatu Samasuru. Jullie voorouders hebben dit opgericht zodat zij in moeilijke tijden elkaar tot steun konden zijn. Jullie hebben hen nog gekend.
Zij vonden het belangrijk de families bij elkaar te houden en ervoor te zorgen dat de kinderen elkaar kennen. In dat samenzijn worden ook culturele waarden doorgegeven, bewust of onbewust. Daarom vind ik het belangrijk dat jullie hier zijn. Zonder jullie zou Perkumpulan Erihatu Samasuru ophouden te bestaan.
Het is aan jullie het aanbod aan te nemen of niet. Ik vind het belangrijk dat je weet waar wij staan, en ik zou het als een geschenk ervaren als je naast ons plaats wil nemen.
Want hoe dan ook, je bent een deel van mij: anak Erihatu Samasuru.
Alvorens in te gaan op de ontstaansgeschiedenis van de Ririhena behoor ik de voorouders die er niet meer zijn, en de ouders die nog in onze midden zijn, te vragen mij hun toestemming te verlenen om deze voordracht te houden. Deze vraag is niet slechts een symbolisch gebaar, maar een houding die voor mij intrinsieke waarde heeft — een waarde die in deze moderniteit nog fier overeind blijft, en staat voor de relatie tussen de dorpen Wassu en Waesamu.
Ik wil in deze hoedanigheid spreken van een ethische wet. Niet als verwijzing naar een confessie, maar naar een ervaren, een openbaring, die mij als persoon raakt. In die zin zou je ook kunnen spreken van een religieuze dimensie.
Met deze houding erken ik hun waarde. Ik wil hun stem laten doorklinken in de verdere ontwikkelingen van de Wassugemeenschap. Het is een stem die de geschiedenis met geweld heeft weggevaagd — of juister, bijna helemaal heeft weggevaagd, want die stem blijft zelfs in de moderniteit aandringen om gehoord te worden: Ua, Wate, Momo, Mui, Matuan, Tahinan. Het wijst jouw plek in de gemeenschap aan. Het zijn betekenisdragers uit de taal van onze voorouders — een taal die ten tijde van het Nederlands koloniaal bewind verboden was te spreken op straffe van een lijfstraf.
De restanten van deze taal zijn de enige overgebleven betekenisdragers. Door hun aanwezigheid zijn zij verworden tot treden van een culturele ladder die naar beneden, naar onze oorsprong, onze TEON voert — en weer terug naar boven, naar de moderniteit van het heden.
Voordat onze voorouder op het eiland Haruku aankwam, woonden de Wassunezen op een hoger gelegen deel van het eiland: Aman Huhui, het dorp op de kruin van een berg. Onder aanvoering van Steven Sapata en Sirikoriy vestigden zij zich op deze veilige plek (F. Timisela 1972).
Onder de mensen die met hen meekwamen bevonden zich ook de mata rumah Rihana en Tamala. Dit waren dus de eerste marga’s — fam of familienamen — van Aman Huhui.
Aman Huhui was meer dan een dorp: het was een vesting. De ligging hoog op een berg gaf bescherming tegen invallen vanuit zee — piraten, slavenjagers, sultans-vloten. Onder de mantel van Erihatu Samasuru werden de families verbonden door adat, door pela en door huwelijk.
De Teon verhaalt en verwijst naar een gebeurtenis van nieuw aangekomen leden — onder welke omstandigheden zij in het dorp zijn aangekomen. Naar aanleiding van die omstandigheid krijgen zij een naam toegewezen die refereert naar die omstandigheid: een kenmerk, een eigenschap of een daad.
De Teon verwijst naar de mondelinge overlevering van het oorsprongsverhaal van de adat-naam van de Mythische voorvader. Het is in die dagen een gebruik dat nieuw aangekomen leden, die zich permanent willen vestigen, een andere naam kregen toegewezen door de bewoners van het dorp.
Daarbij worden de banden van de migrant met het dorp van herkomst ritueel verbroken. Je kan spreken van een overgangsritueel, rite de passage, waarbij de cultuur en mores van het ontvangende dorp door de nieuwkomers worden overgenomen: deze vorm van migratie kent men ook onder de term Kediaman.
Adat-namen ontstaan volgens een uitspraak. Lettergrepen worden samengevoegd tot een nieuwe naam. Hieronder enkele voorbeelden uit het oorspronkelijke verhaal:
Het verhaal van Hathia speelt zich af in een tijd van imperia, specerijen en geweld.
Hathia Siritcorea werd als schipbreukeling op de plek Tahusa op Nahai door een paar dorpelingen gevonden. Zij zagen tijdens hun wandeling iemand op het strand liggen en gingen er naartoe. Het bleek een man te zijn die hier was aangespoeld.
Hala rupa henu — draai hem om als een schildpad.
Riri lotohena — til en schuif hem naar boven, in de richting van het dorp. — De dorpelingen van Aman Huhui, ca. 1520
De inwoners van Aman Huhui gaven hem naar aanleiding van de uitspraak “riri lotohena” de naam Ririhena. Gekscherend worden de Ririhena’s in de wandelgangen ook wel met henu hinai (= teteruga seèkor) aangesproken — om aan te geven dat je maar een schipbreukeling bent.
Verderop bij Waihokal — ook op het strand Nahai — werd nog een drenkeling gevonden. Hij was er slecht aan toe. Men vroeg nog naar zijn naam. Hij zei dat hij Jaboc heette en uit Malacca kwam. Kort daarna stierf hij en werd op dezelfde plek begraven, in de nabijheid van de mangi-mangi bomen. In de loop van tijd werd het graf door de zeegolven uitgediept tot een diepe geul. Het graf kent men nu nog als Kollang Jabok — de Jaboc-geul.
Voordat Hathia op Haruku terechtkwam, zeilde hij met zijn jonk naar Ternate om handel te drijven. Daar belandde hij in een hevige concurrentiestrijd tussen de Portugezen, de Spanjaarden en de koningen van Ternate en Tidore over de handelsmonopolie in specerijën. Vooral de relatie van de inheemse bevolking met de Portugezen, die met de Sultan van Ternate een handelsverdrag sloot in 1513 en een tweede in 1522, brokkelde snel af.
De volgende dag zeilde hij naar Banda, omdat daar — ondanks de strijdende partijen — particuliere handelaren gewoon hun zaken konden regelen. Toen zijn jonk na een paar dagen volgeladen was met handelswaar, vertrok hij richting Siam. Halverwege de Banda Zee werd zijn jonk door zeerovers overvallen. Hathia wist ternauwernood aan de rovers te ontsnappen door zo snel mogelijk in zee te duiken — weg van het gevaar. Al zwemmend bereikte hij Nahai, een strandstrook op het eiland Haruku.
De dorpelingen brachten Hathia naar Aman Huhui en verzorgden hem. Hij werd opgevangen door radja Salakory Mataruma Natamua. In zijn gesprekken vertelde Hathia dat hij Boeddhist en Koopman was. Hij begon op jonge leeftijd in 1495 met zijn bedrijf. Zijn familie had nauwe banden met de koning van Siam — en daardoor had hij, afhankelijk van de omstandigheden, direct of indirect te maken met de activiteiten van de Siamese koning.
In 1511 hadden de Portugezen onder leiding van Albuquerque Malacca veroverd. Om hun positie in Malacca te versterken werd een gezant naar de koning van Siam gezonden, met een brief en kostbare geschenken van koning Manuel. Het eerste bezoek had meer het karakter van een kennismaking en uitwisseling van geschenken. Na een tweede bezoek aan koning Tibodi II liet de koning blijken zeer geïnteresseerd te zijn in wapens en munitie, omdat Siam bedreigd werd door de naburige staat Chiang Mai.
De gezant informeerde de koning dat de Portugezen wapens en militaire steun zouden leveren in ruil voor handelsfaciliteiten — en de toelating van Siamese kooplieden naar Malacca, om daar de verdreven Islamitische kooplieden te vervangen. Blijkbaar is Hathia Siritcorea één van die merchants.
Aanwezig bij de Kediaman van Hathia Siritcorea: pela Islam/Christen Haya, pela Oelat, en radja Salakory. Zij vormen het adat-forum voor de uitvoering van de culturele en materiële transitie.
Tijdens de beraadslaging zei één van de leden: “Hij is toch verdwaald, dus laten wij hem de naam manu kihu — verdwaalde vogel — geven.” De adat-hoofd van pela Haya antwoordde: “Dat kan niet. Hij is niet uit de lucht komen vallen, en helemaal niet verdwaald. Zij hebben hem op het strand gevonden en hebben hem naar het droge in de richting van het dorp getild — riri lotohena.”
Uiteindelijk werd Hathia de adat-naam Ririhena toegewezen: Teon Siritcorea-Ririhena Matarumah Rirapari.
In de stille momenten van de verzorging vroeg radja Salakory of Hathia zijn aangenomen zoon wilde zijn: Anak Soeloeng. Hathia antwoordde: “Dat wil ik wel doen, maar dan volgens de waarden en normen van jouw volk. Tevens wil ik mijn eigen naam behouden.”
Radja Salakory zelf had door zijn ziekte (bobak, een soort venerische ziekte) geen nakomelingen. Hij stelde een persoonlijke pelaverbond voor — waardoor Hathia zijn rituele bloedbroeder werd. Als rituele verwanten was het Hathia in de adat isti adat toegestaan om als Anak Soeloeng te worden opgenomen.
Anak Soeloeng / Anak Kasih is een gebruik waarin een kind ter adoptie wordt aangeboden om de naam en bezittingen — materieel en immaterieel — van de ontvangende Matarumah voort te zetten. Het betreft hier uitdrukkelijk de Anak Soeloeng — de Eerstgeboren Zoon. Dat houdt in dat Hathia de familienaam Salakory zou moeten aannemen, en dat is wat hij met klem weigerde. Door het aangaan van een individuele pela werd dat probleem omzeild: zij werden rituele bloedverwanten. Salakory’s bezittingen bleven voor zijn nageslacht bewaard, en Siritcorea behield zijn naam.
Vanuit Hathia’s perspectief was een bondgenootschap met de lokale bevolking voordelig voor zijn handel: handelspost, lokale specerijen, hout, een aanlegplaats. Als koopman van de koning van Siam hadden zijn redders zichzelf als onderdanen aangeboden door hem de raja-schap als tribuut aan te bieden. Daarmee erkende Salakory de Siamese koning als zijn heer en meester — zijn suzerein.
Siritcorea = Ririhena = Sirikory— de drie namen van één man
Siritcorea heeft daardoor twee adat-namen en twee matarumahs: Siritcorea-Ririhena Matarumah Rirapari en Sirikory Matarumah Natamua. Radja Salakory heeft één matarumah maar twee adat-namen: Salakory Matarumah Natamua 2ⁿᵉ lijn, en Sirikory Matarumah Natamua 1ᵉ lijn (zijn aangenomen zoon).
Door deze constructie is Siritcorea-Ririhena-Sirikory de eerste lijn van afstamming in rechte lijn van Radja Salakory — en behoren de naaste verwanten van Radja Salakory altijd tot de tweede lijn.
In de ochtendgloren van het jaar 1575 werd de negorij Aman Huhui door leden van de naburige negorij Aboru overvallen. Nènè Harbona Sirikoriy Matarumah Natamua hielp Kapitan Tuasaya van Aboru door een ladder langs de bergwand te laten zakken — Salen Talai, sandar tanka — zodat zij de bergwand konden beklimmen. (Nènè Harbona was zelf Aborunees.)
Eenmaal binnen de negorij doodden zij alle aanwezigen. Anderen die op die ochtend naar beneden waren gegaan om een kerkdienst bij te wonen op de plek Hurgereja, hadden de slachtpartij overleefd.
Als gevolg van de slachtpartij werd Nènè Harbona Sirikoriy Matarumah Natamua, met haar kinderen en naaste verwanten, door de dorpelingen uit de negri verdreven (orang negri oesir dorang keluar negri) — maar niet diegenen die geen deelgenoot waren aan de slachting.
De naam Sirikory werd ritueel verbannen. De achterblijvers, de Salakoriy Matarumah Natamua 2ⁿᵉ lijn, kregen een nieuwe inhoudelijke betekenis aan de naam toegewezen:
SALA — omdat er een grove misdaad, een slachting werd gepleegd.
Berbuat kesalahan besar.
Door die toewijzing werd de daad ritueel in de naam SALAKORY NATAMUA geëtst — gebrandmerkt.
Hen werd de functie marinjo (bode) toegewezen — een lagere sociale orde — met het verbod ooit nog de functie van patti of radja te bekleden, op straffe van de vloek door de voorouders (tidak boleh perinta di negri lagi).
Diegenen die hun oorspronkelijke naam wilden behouden, moesten het dorp verlaten en elders een onderkomen zien te vinden — en daar uiteindelijk hetzelfde proces van Kediaman ondergaan. Vandaar dat de naam Sirikoriy in andere dorpen niet voorkomt.
Wassu werd na 1600 op bevel van de VOC opgericht binnen de landgrenzen van Erihatu Samasuru / Aman Huhui. Daarom is de adat-naam Sirikory nooit in Wassu voorgekomen — ook lijfelijk zijn zij niet aanwezig.
Opmerkelijk is de koppeling van de inhoudelijk nieuwe betekenis aan de naam Salakory met Matarumah Natamua. Een verklaring is dat het adatrecht anders geen recht zou doen aan de meerderheid die geen deel had in de slachting, en die in het dorp was achtergebleven. In praktische zin zou de negorij ook geen voldoende manschappen hebben om zich tegen vijandige negorijen te verdedigen.
Daarmee is recht gesproken voor de aanwezigheid van Matarumah Natamua in Erihatu Samasuru / Aman Huhui — door die koppeling gelegaliseerd. Billijkheid als rechtvaardigheid: Matarumah Salakory Natamua 2ⁿᵉ lijn als nieuwe ingezetenen, met gelijke rechten en plichten als de andere ingezetenen.
Later bleek de koppeling met de Matarumah Natamua de spreekwoordelijke Trojaanse Paard te zijn (2003-2015).
Stel hypothetisch dat Hathia Siritcorea-Ririhena-Sirikory plotseling overlijdt. Wie zal dan de kroon erven? Zijn naaste bloedverwanten van de 2ⁿᵉ lijn — Matarumah Salakory Natamua — aangezien de raja zelf geen nazaten heeft.
Maar in werkelijkheid heeft Siritcorea nakomelingen die zijn opgedeeld onder de namen Sirikoriy én Ririhena. Hij heeft één zoon afgestaan om de Anak Soeloeng-lijn te handhaven: Sirikory Matarumah Natamua. Zijn zonen Ririhena en Sirikory zijn rituele bloedverwanten en tevens eerstegraads bloedverwanten van elkaar.
Bij een hypothetische aanname dat de lijn Salakoriy geen nakomelingen heeft, zal de troon worden geërfd door de 1ᵉ lijn bloedverwanten — en dat zijn de Ririhena’s, niet de Salakoriy’s. In dit geval zijn de Salakoriy’s de 2ⁿᵉ lijn.
Volgens de Adat valt, bij het vacant worden van de Radja-functie, deze functie onmiddellijk terug in het oorspronkelijk domein van de Tuan Tanah / Tuan Negri.
Tuny Mataruma Matasiri is de intermediair tussen de Geestenwereld (de Tuan Tanah) en de zintuigelijke wereld — verwerkelijkt in de Adat. Door zijn handelingen, in samenspraak met de Tuan Tanah, wordt de uitkomst in de adat uitgevoerd als geboden en verboden.
Het is daarom aan Matarumah Matasiri voorbehouden de kroon over te dragen aan personen aan wie de Tuan Tanah zijn gunst verleent. Indien door de Tuan Tanah geweigerd, zal er geen overdracht van de troon plaatsvinden, en verblijft de troon in het domein van de Tuan Tanah.
De Adat is een afgeleide van de wisselwerking tussen de mens, de aarde en de cosmos. Het is het geloof van de Alifoer dat alles met alles is verbonden. Dit holisme is karakteristiek voor de wijze waarop zogenaamde primitieve samenlevingen de wereld aanschouwen. Adat is de religie van het Alfoerse volk.
Religie is niet het resultaat van fantasieën, dromen en dergelijke, maar heeft te maken met een zeer reëel empirisch object: namelijk de samenleving zelf. Religie is de samenleving die gesymboliseerd en verheven wordt tot een positie van onaantastbare autoriteit. — Émile Durkheim, Les formes élémentaires de la vie religieuse (1912)
Ambon bestaat uit twee schiereilanden: Groot-Ambon (Hitu) in het noorden en Klein-Ambon (Leitimor) in het zuiden — verbonden door een smalle landengte (Paso). Links ligt de binnenbaai van Ambon; rechts, in de richting van het dorpje Suli, de baai van Baguala.
Volgens Rumphius waren deze eilanden tot het jaar 1500 nog weinig bewoond. “Waar men ook keek, het is voor het grootste deel bevolkt door andere bevolkingsgroepen uit het westen, in het bijzonder Javanen.” (De Ambonse Eilanden onder de VOC, p15)
Hitu was, voordat de Javaanse en Maleise migranten zich vestigden, een pleisterplaats voor de commerciële handelsvaart, vooral gericht op de Noord-Molukken. Pas nadat aan het begin van de 16ⁿᵉ eeuw op Hitu de kruidnagel via Hoamoal werd gesmokkeld, en in zeer korte tijd geoogst kon worden, werkte het als een magneet.
Het waren kleine groepen met een vooraanstaand persoon, prins of leider, die met de maritieme moessonpassaatwinden naar de Midden-Molukken kwamen om een eigen koninkrijk te stichten. Omstreeks 1460 kwam de eerste groep. Daarna volgden drie andere tot 1490: uit Seram, Oost-Java, Djailolo en Gorom.
Deze vier perdana’s besloten gezamenlijk een aristocratische regering te vormen waarin alle landzaken zouden worden afgehandeld. Alle vier droegen evenveel gezag, maar de oudste trad altijd als voorzitter op. Zij veranderden hun namen:
| Aankomst | Herkomst | Grondlegger | Nieuwe titel | Betekenis |
|---|---|---|---|---|
| 1 | Seram | Zamandjadi | Perdana Totohatu | “Voorzitter van de raad” |
| 2 | Oost-Java | Mulai | Perdana Tanahitumesen | “Behoud / grondslag van het land Hitu” |
| 3 | Djailolo | Djamilu | Perdana Nusatapi | “Bewaker van het eiland” |
| 4 | Gorom | Patih putih | Perdana Patih Tuban | Eerste die naar Java voer voor het “moorse geloof” |
Daarnaast voegden de vier hoofden hun dorpen samen tot een dorpenbond van zeven Uli’s. Zes Uli’s telden elk vijf dorpen of gehuchten. De zevende en voornaamste Uli bestond uit de dorpen van de vier perdana’s, samen met drie kleinere negorijen (Mosapal, Tomu, Hunut). Deze zevende Uli noemde men Uli Helawan: het gouden gespanschap. Daarom kreeg de hoofdstad — en vervolgens het hele land — de naam Hitu (“zeven”).
Het vierhoofdige bestuur vond het na verloop van tijd raadzaam om een Raja aan te stellen, om meer aanzien bij de naburige volkeren te verwerven en als spreker het woord voor hen te doen — maar beslist niet om over hen te heersen. Daartoe werd iemand uit het Javaanse stam verheven, een nakomeling van Kiai Tuli (die met de eerste jonk uit Tuban was gekomen). Hij werd Latu Sitania genoemd: “koning van de vragers”, omdat hij alle ingezetenen audiëntie moest verlenen, en hun zaken in tegenwoordigheid van de vier hoofden moest voordragen.
Niet alleen de Ambonse eilanden, maar ook Hoamoal, Seram, Banda en de Kei- en Aru-eilanden kenden een indeling in een Vijf- en Negenbond. Op elk eiland rekende een deel van de bevolking zich tot de Vijfbond (Ulilima), het andere deel tot de Negenbond (Ulisiwa). Op Seram spreekt men van Pata Lima en Pata Siwa.
Het noordelijk deel van Haruku — door Rumphius Oma genoemd — heette Hatuhaha en telde aan het begin van de 17ⁿᵉ eeuw vijf dorpen, alle behorend tot Ulisiwa: Pelau, Rohomoni, Kabauw, Kailolo en Hulaliu. Zij vormden samen één Uli.
Tegenwoordig worden alle eilanden tussen Sulawesi en Nieuw-Guinea tot de Molukken gerekend. Al deze eilanden zijn van vulkanische oorsprong. Zij zijn zeer vruchtbaar en op vele eilanden groeit de sagopalm. De gemakkelijk verkrijgbare sago vormt het volksvoedsel, aangevuld met gevogelte.
De Portugezen verstaan in de 16ⁿᵉ eeuw onder de Ilhas das Especiarias slechts twee kleine groepen eilanden: de Banda-eilanden (muskaatnoten en foelie) en de Molukken in engere zin (kruidnagels, te weten Ternate, Tidore, Moti, Makian en Batjan).
Als de Portugezen de Molukken bereiken, heersen er vier vorsten. Aanvankelijk is de heerser van Gigolo de kolano moloco (koning van de Molukken); later gaat deze titel over op de koning van Ternate, terwijl de koning van Gigolo, die zijn vazal is geworden, het moet stellen met de titel djkomo kolano (bergkoning). De koning van Batjan siert zich met de naam kolano madehe: koning aan het einde (van de Molukken).
De Maleise en Javaanse afnemers van kruidnagelen halen deze specerij in de Molukken op, omdat de Molukse vorsten niet over handelsschepen beschikken. Zij hebben alleen cora-cora’s.
De Banda-eilanden produceren muskaatnoten en foelie (de bloesems van deze notenbomen). De twee belangrijkste eilanden van de archipel zijn Banda (Lontor) en Neira. Het zijn markten en stapelplaatsen voor kruidnagelen, die de Bandanezen halen op Ternate en Batjen, en in Gigolo. Hier komt Hathia om handel te drijven.
De Molukken zijn eerder dan de Banda met de islam in aanraking gekomen. Slechts de vorsten en zij die direct contact hebben met Javaanse en Maleise islamitische handelaren, hebben het nieuwe geloof aanvaard. Zij zijn echter geen fanatieke moslims. De islam is op Ternate het meest aangeslagen.
Er hebben zich in de Molukken, de Banda-archipel en op Ambon en Seram ook veel Maleise en Javaanse Hindoe-kolonisten gevestigd. Zij wonen meestal aan de kust. De oorspronkelijke bewoners, de Alfuren, hebben zich, voor zover zij zich niet vermengd hebben met de nieuwkomers, in het binnenland teruggetrokken.
De koning van Ternate is de eerste Molukse vorst die — vermoedelijk in 1495 — het nieuwe geloof omhelst. Hij begeeft zich daartoe naar Gresik, in de nabijheid waarvan in 1415 de eerste Wali van Java, Malik Ibrahim, is begraven. In dit spirituele centrum laat de vorst zich in de nieuwe leer onderrichten. Zijn voorbeeld wordt spoedig gevolgd door de koning van Tidore en andere vorsten.
Aan het einde van de 15ⁿᵉ eeuw is Malacca uitgegroeid tot verreweg het belangrijkste handelscentrum van Oost-Azië, waarvan de faam zelfs is doorgedrongen tot in Europa. Honderden kooplieden uit Arabië, Perzië, Gujarat, Malabar, Siam, Bengalen, Coromandel, Pegu, China, de Liu-Kiu eilanden, de Filippijnen en alle delen van de Indische archipel komen daar samen.
Afgezien van de sultan is de bendahara de hoogste autoriteit in Malacca. Hij combineert de functies van kanselier, schatkistbewaarder en opperrechter — een soort Eerste Minister. De laksamana is admiraal van de oorlogsvloot. De tumenggung heeft de leiding over justitie en politie.
De welvaart van Malacca leidt ertoe dat de sultans grote fortuinen vergaren. Het vermogen van een van de voorgangers van Mahmoed Shah, sultan Alu’ud-in, is geschat op 140 quintais goud. De vorsten van Malacca besteden hun rijkdom aan moskeeën, paleizen en luisterrijke ceremonieel.
Met de verovering van Malakka hebben de Portugezen hun doel — de monopolie van de specerij handel — nog niet bereikt. Zij moeten de route naar de Ilhas das Especiarias nog vinden. Eind december 1511 laat de bevelhebber Alfonso de Albuquerque twee kraken en een karveel uit Malakka uitvaren, onder leiding van António de Abreu en Francisco Serrão.
Onderweg komen ze in een hevige storm terecht en kunnen maar net het oostelijke punt van Ceram bereiken. Op aanraden van hun Javaanse loodsen zeilen zij naar Banda-Neira. Daar verblijven zij twee dagen, kopen een jonk, laden hun schepen met muskaatnoten, foelie, kruidnagelen en handelswaar, en besluiten terug te keren omdat het seizoen te ver is uitgelopen.
Onderweg komen zij wederom in een hevige storm terecht. Abreu bereikt Malakka. De karveel van Serrão wordt door een hoge golf op een rif gesmeten van het onbewoonde eiland Noesa Penjoe. Hij en een groot deel van zijn bemanning overleven. Na een paar dagen worden zij door piraten gevonden, die hen na twee dagen roeien naar het schiereiland Hitu brengen (1512). De hoofden ontvangen hen met mooie jonge vrouwen en feesten. Het nieuws van de Portugese overwinning over Malacca was hen al over de hele archipel vooruit gesneld.
Tijdens hun verblijf tonen zij hun gevechtskunsten om de inlanders voor zich te winnen. De Ambonezen hebben al een maandenlang conflict met een vijandig dorp op Ceram (Hoamoal) en vragen de Portugezen om mee te strijden. De slecht bewapende inlanders worden volledig uitgemoord. De vorsten uit Ternate en Tidore haasten zich om de machtige vreemdelingen naar hun eiland te brengen. De sultan van Ternate stuurt tien cora-cora’s. Serrão stapt over op het vlaggenschip van Ternate. Een overeenkomst wordt gesloten: handelsbevordering en een vergunning tot het vestigen van een Portugese handelspost en een fort op Ternate.
Met de komst van de Spanjaarden op Tidore verergerde de strijd om macht, monopolie, verraad en moord. Dit alles verwoord in de bittere noodkreet van Njai Tsili, weduwe van de vermoorde sultan Bajang Ullah van Ternate:
Hoeveel eer hebben wij deze vreemdelingen niet bewezen, en hoeveel voordelen hebben zij niet genoten! De koning verloor door zijn sympathie voor hen de vriendschap van de andere Molukse vorsten; hij voerde oorlog voor hen, leed om hunnentwil zware verliezen, en had zelfs zijn leven voor hen veil.
En zie nu eens hoe ondankbaar deze vreemdelingen zijn! Mijn zonen gevangen, terwijl de aanzienlijken van het land moesten vluchten; mijn zoon vermoord door gif en de tweede zal hetzelfde lot ondergaan; liefderijk opgenomen, deinzen deze vreemdelingen er niet voor terug ons te beroven en onze huizen, vrouwen en dochters te schenden.
En dat alles geschiedt midden in mijn land en in mijn aanwezigheid. De rampspoed wordt alsmaar groter — die vreemdelingen bespotten ons geloof, verkrachten onze wetten, en doen onze geestelijken geweld aan. — Njai Tsili, koningin-weduwe van Ternate
Het is een noodkreet vertaalt als een profetie over de toekomstige ontwikkeling van Indonesië en het Molukse volk.
Klik op een plaats om het verhaal te lezen. De volle lijn volgt Hathia’s reis (1520). De gestippelde rode lijn toont de aanval op Aman Huhui (1575).
Klik op een gekleurde pin voor het verhaal van die plek.
Klik op een naam voor uitleg.
In de periode 2003-2015 werden door de Indonesische overheid nieuwe regels uitgevaardigd voor het ambt van Burgemeester / Bapa Raja. De wet eist dat de kandidaat afstamt van de regerende matarumah in een rechte lijn.
De rechterlijke beslissing erkent dat de matarumah die volgens een rechte lijn recht heeft om kepala pemerintah negeri Wassu te zijn, de Matarumah Salakory (Natamua) is — afstammend van Tupea Jacob.
Het hoofd van de regering van Wassu, Johannis Ririhena, geeft expliciet toe dat de regerende clan de Salakory is. Derhalve kan de eiser niet als eiser worden gekwalificeerd.
Inderdaad heeft de fam Salakory Matarumah Natamua 2ⁿᵉ lijn als raja geregeerd, samen met Sirikory Matarumah Natamua 1ᵉ lijn — maar dan in Erihatu Samasuru / Aman Huhui. Niet in Wassu.
Raja Tupea Jacob Sirikory werd tegen het einde van de 16ⁿᵉ eeuw uit Aman Huhui verbannen (1575). Oorzaak was de moord op Aman Huhui door kapitan Tuasaya uit Aboru. Hij werd geholpen door Nènè Harbona Sirikory, die een ladder liet zakken waardoor Tuasaya met zijn helpers naar boven kon klimmen.
De naam Sirikory matarumah Natamua 1ᵉ lijn werd ritueel uitgewist en zij moesten met de naaste verwanten het dorp verlaten. Wassu werd pas na 1600 op bevel van de VOC opgericht. Daarom is de adat-naam Sirikory nooit in Wassu beland.
In sociale en culturele interacties met de naastliggende dorpen kent men de naam Sirikory niet. Daaruit blijkt dat de naam een zeer korte levensduur heeft gehad. Dat sluit naadloos aan bij het verhaal van de verbanning van 1575.
Jorgen Salakory Matarumah Natamua 2ⁿᵉ lijn blijkt over de geschiedenis van de verbanning van Sirikory te weten, omdat hij zelf een verzoening heeft georganiseerd tussen de Matarumah Salakory Natamua en Matarumah Nahumury uit Aboru. Vervolgens haalden zij Rafael Salakory Matarumah Natamua 2ⁿᵉ lijn uit Ambon naar Wassu — als zogenaamde nazaat van Tupea Jacob — en lieten hem als inwoner inschrijven. Zelfs werd een stuk grond op de kade aan de “erfgenamen” toegewezen.
Met deze actie heeft Matarumah Salakory in feite fraude gepleegd; dit is manipulatie voor de uitkomst van een verkiezing. — Verweer in Putusan 26 P/HUM/2019
Door nazaten grond te geven bevestigen zij impliciet dat Matarumah Sirikori Natamua 1ᵉ lijn en een deel van Matarumah Salakory 2ⁿᵉ lijn nooit in Wassu zijn geweest, en dus nooit grond in bezit hebben gehad.
Degene die het herdenkingsbord introduceerde, is na een maand overleden. Rafael Salakory overleed tijdens de uitvoering van zijn ambt als Bapa Raja, in december 2022. Men praat er niet over. Stilte. Inmiddels is de nieuwe radja geïnstalleerd. Wederom is de adat-eed overtreden.
Gretigheid tolereert geen adat-grenzen.
In de rechtsgang van 2019 trokken zij een rookgordijn op, en vermeden de geringste aanwijzing over de tragedie op Aman Huhui — door een terloopse opmerking dat de naam Sirikory pas in 1850 zou zijn veranderd in Salakory door raja Hermanus Patinama.
Sirikori Matarumah Natamua heeft vanaf de oudheid tot 1850 in Wassu geregeerd.
De tragedie op Aman Huhui heeft dus nooit plaatsgevonden.
Raja Yan Salakory bestaat niet — hij moet pas in 1850 tot leven komen.
Als Yan Salakory Matarumah Natamua 1ᵉ lijn in 2006 in Wassu naar binnen werd gesmokkeld, heeft hij exact 256 jaren ondergedoken gelegen in Ambon.
26 mei 1767: Domingos Salakoria, “een naneeff van de gewezen patty Sirikory”, geeft zich op voor de pattischap van Wassu — naast Abraham Gostinjo en de Ririhena’s.
1796: Domingos Salakoria opnieuw vermeld in het VOC-register.
→ De naam Salakory bestond dus al ruim vóór 1850, niet pas. Het rookgordijn houdt geen stand.
Door het overlijden van den Pattij van Wassoe, Lourens Paulus, dat regentschap onder de Comptoir Haroeko forteerende, vacant geraakt zijnde, en heden om hetzelve bij requeste verzoek gedaan hebbende:
— Paulus Ririhena, zoon van den in 1764 overleden regent Lourens Paulus;
— Hendrik Ririhena, naneef van een vroegere Pattij van Salapoean;
— Iohannes Ririhena (alias Pattij), zoon van een vorig regent;
— Abraham Gostinjo (Ririhena);
— Domingos Salakoria, “naneeff van den gewezen patty Sirikoria”.
Goedgevonden om uit voorsz. supplianten wederom tot Pattij van voorsz. negorij Wassoe te verkiesen en aan te stellen den eersten suppliant Abraham Ririhena (alias Gostinjo), alzo die de capabelste en bekwaamste tot het bekleeden van die waardigheid geoordeelt en als zodanig door het volk verzocht wordt.
Een aan een vordering ten grondslag liggende vage, innerlijk tegenstrijdige en/of onnavolgbare memorie is een obscuur libel en kan leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van een partij in haar vordering. — Juridische definitie
Daarnaast valt op: de bewering dat raja Salakoriy pas in 1850 naar Wassu is gekomen, blijkt niet uit bovenstaande data. Zowel Domingos Salakoria, een naneef van den gewesen pattij Sirikoria, wordt in het register van de VOC van 1764 en 1796 benoemd.
Rumphius is geneigd de indeling van de wereld der Ambonezen in de Vijf- en Negenbond te herleiden tot de tegenstelling tussen Ternate en Tidore, de twee rivaliserende rijken uit de Noord-Molukken. Maar daarmee slaat hij de plank mis.
De door de VOC opgelegde “rust en orde” had tot gevolg dat op de Ambonse eilanden en in de kuststreken Seram de tegenstellingen tussen de Negenbond en de Vijfbond niet meer in openlijke vijandigheid tot uiting konden worden gebracht. De verhouding werd bevroren en gepacificeerd.
Wat dynamisch was — een levende wisselwerking tussen dorpen, alliantievormen, oorlogsverbonden — werd statisch. De indeling in christenen en moslims werd belangrijker dan de oude indeling zelf.
Op 13 maart 1980 zond de N.O.S. vier gastcolleges uit over Hegel en Marx. Hegel zag de werkelijkheid als proces — niet als momentopname, maar als ontwikkeling.
Het werkelijke is redelijk, en het redelijke is werkelijk. — Hegel, voorwoord Rechtsfilosofie
Hegel onderscheidt verstand en rede. Verstand is het vermogen onderscheidingen te maken — om alles in hokjes te zetten. De rede is het vermogen daarbovenuit: het ontdekken van de samenhang van het geheel.
De inleiding is een soort ladder, je moet ergens omhoog en je klimt op de ladder en wanneer je eenmaal boven bent, heb je de ladder niet meer nodig — die kan weg.
Maar niet bij Hegel, want hij zegt: de manier waarop je boven bent gekomen is mede bepalend voor het standpunt dat je op dat moment hebt. — uit het college van 13 maart 1980
Wat de Geest achter zich schijnt te hebben — Hathia’s aanspoelen, de pelaverbinding met Salakory, de tragedie van 1575, de stichting van Wassu — dat zit nog allemaal in de huidige diepte van de cultuur. De ladder is onderdeel van het standpunt dat je met de ladder bereikt hebt.
Hegel heeft die pretentie altijd hardop gezegd: hij wilde zijn hele filosofie in één groot systeem samenbrengen. Het is een consequentie vanuit die gedachte dat je het geheel moet kunnen overzien. Een filosoof komt dus eigenlijk helemaal achteraan: hij kan pas achteraf zeggen hoe alles in elkaar zit.
Als de dag voorbij is, en de nacht valt, dan komt de wijze uil — eventueel Hegel of een ander. Maar hoe dan ook: te laat. Alles is gebeurd.
Toch is er een “maar”: het standpunt van de filosoof, dat uitgesproken wordt, is op zichzelf ook een bepaalde gebeurtenis in de werkelijkheid. De filosoof staat niet in de registreerkamer apart. Hij is op het proces betrokken zoals iedereen op het proces betrokken is.
Het is heel verkeerd om met verachting naar het voorgeslacht te kijken. Zonder hen zouden we het nu ook niet begrijpen.
De toch al kleine populatie van Wassu wordt steeds verder uitgehold door de toenemende migratie van de economisch actieven naar andere gebieden. De behoefte aan cash-income wordt steeds groter, om de opleidingen van de kinderen te kunnen betalen. Omdat Wassu geen perspectieven te bieden heeft, zijn velen vertrokken.
Diegenen die in het dorp achterblijven zijn veelal de ouderen en de heel jonge kinderen. Gevolg is dat de economische draagkracht geleidelijk verdwijnt. De resterende inzetbare arbeidskrachten hebben niet voldoende capaciteit om het verlies op te vangen.
Een volgend probleem is dat de investeringen in de visserij gevolgen hebben voor de lokale landbouw. Als voorbeeld: de motor ikan. Velen hebben daar werk in kunnen vinden — met als gevolg dat de dusuns verwaarloosd raken.
Siri Kòryja
De fonetisch correcte uitspraak van Siri Korea in het Thai — alsof de naam, na 500 jaar, weer terugbuigt naar zijn eigen oorsprong.
Korte excursies langs Ridjali, Rumphius, Srivijaya en Majapahit — de bredere context waarin het verhaal van Hathia past.
In de Maleise archipel wemelt het van verhalen over personen van aanzienlijke geboorte die met een kleine aanhang hun land verlieten op zoek naar een plek om voor zichzelf een eigen domein te creëren. — Ridjali, Historie van Hitu
Een groot voorbeeld voor dit genre is koning Paramesvara, een buddhistische vorst uit Tana Malayu, die zich als onderdaan van de vazalstaat Majapahit losmaakte en Malacca tot het handelscentrum van de Inter-Aziatische handel groot maakte.
Een Uli is het beste te omschrijven als een dorpenbond. Lima en Siwa betekent Vijf en Negen, zodat we Ulilima en Ulisiwa kunnen vertalen met Vijfbond en Negenbond.
Niet alleen de Ambonse eilanden, maar ook Hoamoal, Seram, Banda en de Kei- en Aru-eilanden kenden deze indeling. Op Seram spreekt men van Pata Lima en Pata Siwa.
We kunnen er zeker van zijn dat het koninkrijk Srivijaya gedurende ten minste 400 jaar — van de 7ⁿᵉ tot de 11ⁿᵉ eeuw — heeft geprofiteerd van de bloeiende handel in de Indische Oceaan tussen het Maleisische schiereiland en de Indonesische eilanden. De Straat van Malaka stond onder de heerschappij van Srivijaya.
De Kejukan Bukit-inscripties beschrijven de oprichting van Srivijaya door Panta Hyung Shri Jauyanasa met de hulp van 20.000 soldaten. Koning Jauyanasa onderwierp verschillende regionale koninkrijken — waaronder Maleisië, dat in 684 viel.
De Portugezen en hun bondgenoten te Hatiwe werden herhaaldelijk in het nauw gebracht door de Hituezen onder leiding van Sepamole, de perdana Tanahutumesin. De titel Tubanbesi (voorvechter van Tuban) werd later overgedragen aan zijn zoon. De titel Lekalahabesi (voorvechter van de strijd op de kust) werd nog later toegekend.
De tijd voor het verval van Majapahit kwam onvermijdelijk. Het kwam in de vorm van de melodieuze muezzin, die de oproep tot gebed verkondigde vanaf de toppen van de minaretten. Net als het hindoeïsme en het boeddhisme ervoor, arriveerde de islam niet in maritiem Zuidoost-Azië op de speerpunt van een leger.
Moslims waren al eeuwenlang aanwezig in de Nusantara-archipel, maar het was pas in de 14ⁿᵉ eeuw dat hun religie een aanzienlijke aanhang kreeg onder de lokale bevolking. Naarmate de islam meer bekendheid kreeg, tastte het het gezag van de Majapahit-koningen aan, want hun spirituele gezag berustte op een hindoe-boeddhistisch wereldbeeld.
Paramesvara, de hindoe-radja van een cliëntstad genaamd Singapore, zag de dood van de koning als een kans en verwierp zijn vazalschap voor de Majapahit-troon. Als reactie hierop vielen Majapahit-troepen het land van Paramesvara binnen en verdreven hem uit zijn stad. In ballingschap vluchtte Paramesvara naar de zuidpunt van het Maleisische schiereiland.
In 1411 smeekte prins Paramesvara zich bij de Grootadmiraal en vergezelde hem op de terugreis naar China om hulde te brengen aan de Yongle-keizer in Peking. Net als in de oudheid waren politieke betrekkingen met China cruciaal voor het machtsevenwicht.
De Grootadmiraal Zheng He was een toegewijde moslim. Gedurende zijn zeven reizen hielp hij actief bij het vestigen van gemeenschappen van Chinese, Arabische en Maleise moslims aan de noordkust van Java. Tegen 1475 waren deze gemeenschappen samengesmolten tot de eerste moslimstaat op Java: het Sultanaat van Demak. Tegen 1527 overrompelde dit sultanaat de overblijfselen van het Majapahit-rijk — en doofde de laatste sintels van een rijk dat ooit het hele maritieme Zuidoost-Azië had gedomineerd.
Hoewel het Majapahit-rijk al lang naar het kerkhof van dode imperia is verbannen, leeft de geest ervan nog steeds in het hart van het moderne Indonesische volk. In de 21ⁿᵉ eeuw weegt het Majapahit-tijdperk zwaar in de Indonesische geschiedenisboeken — en bezet een vergelijkbare plaats in het nationale verhaal als het Romeinse Rijk in Europa.
Dit verhaal is samengesteld uit mondelinge overlevering binnen Perkumpulan Erihatu Samasuru, gecombineerd met geschreven bronnen uit de koloniale, antropologische en juridische archieven.
Voor opmerkingen, aanvullingen of correcties — spreek een lid van de perkumpulan aan.
Hoe broos die culturele ladder ook is — de kracht ervan heeft mij mede gevormd, en opent de mogelijkheid om samen, jij en ik, opnieuw te ontdekken wie wij waren en wie wij willen zijn.
De treden zijn de woorden uit de behasa tanah: Ua, Wate, Momo, Mui, Matuan, Tahinan. De wand is de adat. De top is niet een plek — het is een gesprek, een perkumpulan, een handdruk.
Want hoe dan ook, je bent een deel van mij: anak Erihatu Samasuru.